
De Cavalls del Vent (Paarden van de Wind) is een van de meest spectaculaire wandelroutes van Catalonië. Deze uitdagende langeafstandswandeling van circa 85 kilometer voert je door het hart van het Parc Natural del Cadí-Moixeró, een gebied vol steile bergtoppen, diepe valleien en adembenemende uitzichten.
Tijdens de tocht ontdek je een afwisselend landschap: van dicht beboste hellingen tot open hoogvlaktes en bergweiden en loop je langs traditionele berghutten en schilderachtige dorpen. Een van de bijzondere charmes van de route is dat je kunt overnachten in deze berghutten, wat een authentieke ervaring van het bergleven biedt.
De route is volledig bewegwijzerd en biedt mogelijkheden voor zowel meerdaagse trekkings als kortere dagetappes. Of je nu een ervaren hiker bent of gewoon op zoek naar een inspirerende wandeling, de Cavalls del Vent nodigt uit om te vertragen, te genieten en Catalonië te ontdekken.
Zie ook de Hicle-blog over deze route.

Tekst en beeld: Stefan Maas
Ruim 100 km hiken door bossen, weilanden en uitgestrekte veengronden op ‘het dak’ van België. De Venntrilogie in Oost-België heeft alles in zich om een nieuwe wandelklassieker te worden.
De start van de Venntrilogie, of het einde daarvan, is iconisch. We staan op het Drielandenpunt, op de top van de 323 meter hoge Vaalserberg. Een toeristische hotspot, moeilijk bereikbaar met het ov, en nu in de vroege ochtenduren vrijwel verlaten. Hoewel. Twee pubers op een brommertje komen aansjezen en duiken een anoniem paadje in. Vreemd. Even later arriveert een politiewagen met twee agenten die ons vragend aankijken. Hebben we twee gasten op een brommer gezien?
Overduidelijk een achtervolging, maar we zijn hier niet naartoe gereisd voor een aflevering ‘Flikken Vaals’. Even later slaan we een pad in dat het merkteken van de Venntrilogie aangeeft. De eerste meters van een 109 km-lange tocht. En we hebben geluk. Het is een jubelende mei-ochtend, met donkerblauwe luchten en tientallen tinten fris groen om ons heen. De gerevitaliseerde natuur viert feest; alles groeit en bloeit, roept, fluit of wat dan ook.
Via een doorkijkje door het gebladerte kijken we naar het zuiden, richting Eupen. Het is alsof we ergens in een wildernis staan, en niet op de grens van drie dichtbevolkte landen. We zien alleen maar bomen en het massief van de Hoge Venen in de verte, waar we over twee dagen zelf doorheen zullen trekken. Gedurende de hele tocht zullen we drie verschillende geologische regio’s doorkruisen: het noordelijke deel met heuvels, bossen en weilanden, het plateau van de Hoge Venen in het midden en de zuidelijke venen. Vandaar ook de naam ‘Venntrilogie’.

We lopen ook door een heel merkwaardig gebied: de Oostkantons van België. Nu zijn de Waals-Vlaamse taalgrenzen al verwarrend, maar in het oosten van België komt daar dus nog een derde taalgrens bij: de Duitstalige. Dat laatste is een gevolg van de Eerste Wereldoorlog. België lijfde na afloop daarvan enkele gebieden langs de grens met Duitsland in. Twee kantons van de Oostkantons zijn Duitstalig – Eupen en Sankt Vith – de derde – Malmedy – is overwegend Franstalig. Goed beschouwd weet je niet in welke taal je een tegenligger op de Venntrilogie moet aanspreken: Nederlands, Frans of Duits? Alles komt in de grensstreek bij elkaar en loopt door elkaar heen; het is een soep van verschillende talen en culturen.
En om alles nog merkwaardiger te maken, lopen we ook over het grondgebied van de voormalige quasi-dwergstaat Neutraal Moresnet (1816-1919). Nederland en Pruisen konden het niet eens worden over het eigenaarschap van een waardevolle zinkmijn, waarna op het Congres van Wenen werd besloten dat een gebied van amper 3,5 km² een neutraal territorium werd, bestuurd door twee commissarissen en een burgemeester. En dat nanostaatje deed er alles aan om op een echt land te lijken: het had een eigen vlag, eigen postzegels, een eigen taal – het Esperanto – en een eigen hoofdstad: Kelmis. Uiteindelijk bleek dit experiment niet levensvatbaar. Na de Eerste Wereldoorlog werd Moresnet van de kaart geveegd en bij België gevoegd.

De Venntrilogie leidt ons om de ex-Moresnet-hoofdstad heen. Het landschap is speels; paadjes die door bossen en weilanden vol gras en paardenbloemen slingeren, en die over heuveltjes lopen met af en toe een fraai uitzicht over de omgeving. Asfalt krijgen we nauwelijks onder onze schoenen, onverharde grond des te meer. En het wordt steeds drukker op de paden. België viert een nationale feestdag en veel Belgen trekken de wandelschoenen aan, om de zon weer op het gezicht te kunnen voelen na de lange winter. Diezelfde zon zorgt ervoor dat onze drinkflessen verdacht snel leegraken, terwijl we hier langs de route geen cafés of supers hoeven te verwachten. Bovendien zijn de supers vandaag veelal dicht vanwege die nationale feestdag. Een gezinnetje dat buiten zit helpt ons uit de brand: we krijgen een 1,5-literfles met koel water, genoeg om het einde van deze etappe te halen.
Na Kelmis begint het ons op te vallen: de vele metalen draaipoortjes. In Nederland kom je ze niet zo vaak tegen, maar bij de boeren hier zijn ze populair. Ze geven vaak krakend en piepend toegang tot een volgend weiland. En ze bieden ook niet zo heel veel ruimte om te passeren, voor wie een behoorlijke omvang heeft. We beginnen de poortjes te tellen, maar raken ergens na tien de tel kwijt. Via tal van die draaideuren bereiken we het Wortelmuseum, ofwel Mö(h)ren Museum, gevestigd in een transformatorhuisje in Berlotte. Het is zo piepklein dat je de collectie alleen door een raam kunt bekijken. Een curiositeit pur sang, met dank aan de Möhren Zucht Verein, ofwel de lokale wortelvereniging.
Bij het passeren van de grens van het Parc naturel des Hautes-Fagnes-Eifel is het gedaan met de draaipoortjes en de weilanden. Hier beginnen de uitgestrekte bossen van de Hoge Venen, die doorlopen tot ver over de Duitse grens. En Eupen, de belangrijkste stad van de Oostkantons en de Poort tot de Hoge Venen, is niet ver meer. Een paar uur later trekken we die plaats binnen, waar de regering en het parlement van de Duitstalige Gemeenschap in België zijn gevestigd. Inderdaad, na de regeringen van Vlaanderen en Wallonië, bevindt zich hier de derde regering van België…

Eupen is ook een stad om even bij te komen. Een Venntrilogiehiker vindt er alles wat hij of zij nodig heeft. Je kunt er een pizza eten op een terrasje, de trein of bus nemen, cash pinnen bij de banken of je uitleven in de supers. En Eupen beschikt over een moderne jeugdherberg, ofwel Gîte d’Étape Eupen, direct langs de Venntrilogie-route. De centrale jeugdherbergkoelkast biedt speciaalbiertjes, terwijl je op het terras een fraai uitzicht over de omgeving hebt. Wat wil een wandelaar nog meer?

In Eupen besluit ik ook om de derde etappe van de Venntrilogie, van Eupen naar Signal de Botrange, om te draaien. Het is de koninginne-etappe naar het hoogste punt van België (694 m), een route dwars over de Hoge Venen, maar de weerman voorspelt onweer in de loop van de middag. En als de bliksemschichten door de lucht vliegen, kun je beter in de buurt zijn van de bossen bij het lager gelegen Eupen, dan op het plateau van de Hoge Venen, waar je nauwelijks beschutting kunt vinden.
De snelbus vanuit Eupen doet de volgende ochtend haar naam veel te veel eer aan. Ondanks het drukken op de stopknop rijdt de chauffeur door en trapt pas een kleine kilometer na Signal de Botrange op de rem. Dat begint dus al goed. Maar eenmaal weer terug op het hoogste punt van België, gumt het uitzicht die ervaring uit. Met wat zon en blauwe luchten lijken de Hoge Venen wel op een Afrikaanse savanne. Een natte savanne weliswaar, met tal van houten vlonders om te voorkomen dat je wegzakt in het veen. Het routeboekje waarschuwt dan ook: één verkeerde stap, en je loopt de rest van de dag met drijfnatte sokken.
Na enkele kilometers ben ik verlost van de dagjeswandelaars die met de auto zijn gekomen, en zwerf ik vrijwel alleen rond over die houten vlonders. Dit veenlandschap, met deze uitzichten, dat is de reden waarom toeristen naar Oost-België komen afzakken en foto’s maken. Op de Hoge Venen ontmoet ik de Helle–rivier, die hier ontspringt en mijn metgezel is bij de tocht naar Eupen. Vele kilometers loop ik naar beneden bij het gefluister van het stroompje. Zoals voorspeld barst het onweer los; een gordijn van regen daalt op me neer. Mijn schoenen zijn waterdicht, maar het water loopt er vanaf boven gewoon in. Ik ben veilig op de vlonders gebleven, maar zal deze tocht toch eindigen met drijfnatte sokken.

De volgende dag zijn we alweer terug in Signal de Botrange: de etappe van Botrange naar Malmedy staat op het menu. We trekken verder de bosgebieden in van het natuurpark; brede en smalle bospaden, boomwortelpaadjes langs riviertjes, halfverharde paadjes. De bossen lijken eindeloos door te lopen, cafés of restaurants komen we niet tegen en we spotten maar enkele wandelaars. De bewoonde wereld lijkt hier ver weg. Tot na het passeren van een bike park Malmedy zich aandient, een stad met een overwegend Franstalige gemeenschap.
De meeste plaatsnamen in Oost-België zeggen me weinig, maar bij Malmedy is dat natuurlijk anders. Tijdens de Slag om de Ardennen in 1944-45 vond bij Malmedy een bloedbad plaats; SS’ers schoten hier 84 ongewapende Amerikaanse soldaten dood nadat die zich hadden overgegeven. Daarnaast werd een deel van de stad platgebombardeerd of beschadigd. Malmedy is de oorlog niet vergeten: er zijn allerlei herdenkingsroutes en de stad staat tegenwoordig symbool voor de zware strijd in de Ardennen.

Via een kruisweg met 14 staties op een steile heuvel verlaten we Malmedy de volgende dag weer. We bereiken de vallei van de rivier de Warche en zien tussen de bomen de contouren opdoemen van het 14e-eeuwse kasteel Reinhardstein, dat over de rivier uitkijkt. Reinhardstein is uniek: het is het oudste en hoogst gelegen kasteel van België. Ooit was het eigendom van de Metternich-familie, daarna ging het over in handen van diverse andere machtige families.
Maar het is een klein wonder dat we Reinhardstein nog in al zijn glorie kunnen zien. In de jaren 60 van de vorige eeuw was het weinig meer dan een ruïne in het bos. De redder van Reinhardstein was een professor uit Brussel die het kasteel tijdens een wandeltocht toevallig ontdekte: Jean Overloop. Hij liet het kasteel restaureren door lokale vakmannen en bracht er ook zijn collectie kunstvoorwerpen onder. Verbazingwekkend waar een wandeltocht allemaal toe kan leiden.
Al heel snel na het kasteel bereiken we de stuwdam van Robertville, daarna is er alleen nog maar een makkelijke, vlakke etappe langs de Warche naar Bütgenbach. Een bus zal ons later vanaf Bütgenbach weer terugbrengen naar Eupen, en vanaf daar gaat het met de trein verder naar Nederland. We hebben zes dagen lang genoten van deze tocht. De jury van de Wandelroute van het Jaar had gelijk: de Venntrilogie is een geweldige wandelroute die de eretitel ‘beste route van de Benelux’ verdient.

De Venntrilogie omvat zes etappes en is in totaal 109 km lang. Ze is in beide richtingen bewegwijzerd. Al heel snel na de opening in 2023 ontving ze het keurmerk ‘Leading Quality Trail – Best of Europe’ en werd ze uitgeroepen tot Wandelroute van het Jaar 2024.
Je doorkruist tijdens de tocht drie geologische regio’s in Oost-België: de heuvels met bossen en weilanden in het noorden, de Hoge Venen in het midden en de zuidelijke venen. Elke deel van de trilogie heeft een ander kleurtje voor de bewegwijzering: groen voor noord, grijs voor midden en blauw voor zuid.
Kijk voor accommodaties, gpx-tracks en tips op Ostbelgien.eu/nl/venntrilogie. Via de site is ook de gids te downloaden. In VVV-kantoren in de regio kun je deze gids ook in papieren vorm kopen en de etappes laten afstempelen. Wie een deel van de trilogie heeft afgelegd, komt in aanmerking voor de Venntrilogie-wandelpin (2 euro). En wie de hele route heeft gelopen, mag de finisher-pin ontvangen.


Tekst en beeld: Stefan Maas
Eilanden met vulkanen, kratermeren, uitzichten over zee en geheimzinige, donkere bossen. Ergens ver weg, midden op de Atlantische Oceaan, liggen de Azoren op je te wachten.
Wat weet ik eigenlijk van de Azoren, die negen stippen in de Atlantische Oceaan, ongeveer 1500 km verwijderd van het Europese vasteland? Niet veel. Vijftienhonderd kilometer, da’s een eind. De eilanden komen soms in beeld als het weerbericht meldt dat er boven de Azoren zich een groot hoge- of lagedrukgebied vormt. Ergens weet ik wel dat ze onderdeel zijn van Portugal, maar verder? En juist die onbekendheid en de afgelegen locatie geven de Azoren een sterke aantrekkingskracht. Hoe is het om daar over die vulkanische eilanden te lopen, midden in die woeste oceaan, waar de wereld in de ogen van de middeleeuwers allang was opgehouden?
Eenmaal in Piscinas Naturais Biscoitos op het eiland Terceira, ofwel de “Natuurlijke zwembaden van Biscoitos”, ervaar ik hoe dat voelt. Enorme golven komen aanrollen en smijten zich met spetterend geweld tegen scherpe, zwartgekleurde rotsen – lava die in de meest vreemde vormen is gestold. Het vuur verloor het hier van het water, dat is duidelijk. Maar het vechten is niet over; de zee blijft doorbeuken tot er niets meer over is. Het resultaat van deze oeraardse battle is een adembenemend spektakel. Je kunt er gedachtenloos naar staren, terwijl het gedonder van de golven in je oren dreunt en een mist van kleine, zoutige waterdruppeltjes het land intrekt.

Het is een decor waarvan we ons moeten losrukken. Je kunt hier uren filmen met je phone, en dat doen sommigen ook, alsof ze bang zijn iets te missen van een voorstelling die nog wel miljoenen jaren gaat duren. Maar het eiland heeft nog meer te bieden. Er brandt er een vuurtje onder Terceira dat nog lang niet is uitgedoofd. De stratovulkaan Santa Bárbara, 1021 meter hoog, kijkt vanuit de verte op ons neer. Hij is actief en genereert kleine aardbevingen, maar slaapt tegelijkertijd ook, al is dat een merkwaardige tegenstelling.
In Furnas do Enxofre, ofwel vrij vertaald “Holtes waaruit zwavelrijke gassen ontsnappen”, maken we kennis met dat vuurtje onder het eiland. Een mooi wandelpad kronkelt er door een hei-achtig landschap. Overal om je heen zie je rookpluimen uit de aarde komen, die in de wind verwaaien. Een paar vogeltjes vliegen er rond tussen de struiken, volgen ons zelfs alsof ze benieuwd naar het wandelgezelschap. Verder is het stil. De gedachte om het veilige pad te verlaten en naar de holtes te lopen, komt niet bij me op. De houten balustrades langs het pad vormen een duidelijke waarschuwing.

In Angra do Heroísmo, ofwel “De baai van het heldendom”, straalt een warm zonnetje op ons neer, ondanks dat het al medio november is. De stad aan de baai is een toeristisch pareltje op Terceira. We slenteren langs bontgekleurde huizen, bewonderen een imposant fort met kannonnen die de baai beschermen, passeren de haven en genieten van een prachtig stadspark vol exotische planten en bomen. ‘s Ochtends vroeg, in het zachte schemerlicht en met fabuleuze uitzichten over zee, beklimmen we Monte Brasil, het bergje boven het fort. Hier lopen reeën en verwilderde maar goed gevoede katten rond, terwijl papegaaien in kooien ons na enig aandringen begroeten met een eenvoudig “Olá”.

Ontdekkingsreiziger Vasco da Gama loopt in Angra nog steeds rond bij de haven, hij zette hier voet aan wal tijdens de terugkeer van zijn eerste reis naar India. Maar het levensgrote standbeeld van de Portugees staat vooral symbool voor de historische betekenis van de havenstad, die vroeger een belangrijke tussenstop was voor de handel met Afrika, Amerika en India.
Wie zich verdiept in de geschiedenis van Angra, ontdekt een stad vol opmerkelijke verhalen. Gelegen ver van het Portugese vasteland, diende Angra twee keer als tijdelijke hoofdstad van Portugal. Van 1580 tot 1583 leidde prior António hier een regering in ballingschap, terwijl Spanje aanspraak maakte op de Portugese troon. Later, tijdens de Liberal Wars (1830–1833), werd Angra opnieuw het hart van het liberale Portugal, een centrum van verzet. Het was deze onverzettelijke rol die de stad de trotse eretitel “do Heroísmo” opleverde, een blijvende herinnering aan haar moedige verleden.
Het is al donker; onder ons strekt zich een inktzwarte zee uit, nergens een lichtje te zien. Voor de Açorianen is vliegen iets alledaags, vergelijkbaar met het nemen van de bus in Nederland. Een uitwedstrijd spelen met de voetbalclub, uitgebreid gaan shoppen, een studie volgen… vaak begint zo’n reis gewoon op de lokale luchthaven. Wij hoppen van Terceira naar de volgende stip in de oceaan: São Miguel. Maar zo klein is die stip niet: het eiland is ongeveer 64 km lang en telt 140.000 inwoners. Een vergeten bounty-eiland is het allerminst; jaarlijks bezoeken bijna 500.000 buitenlandse toeristen São Miguel, voornamelijk uit de Verenigde Staten, Spanje en Duitsland.

Eenmaal buiten de hoofdstad Ponta Delgada ontvouwt São Miguel zich: blauwe kratermeren, dichte, mysterieuze bossen en golvende weilanden die doen denken aan een teletubbies-landschap. Over die weiden zwerven de bekende Hollandse zwartbonte koeien rond, al zijn ze hier slanker dan hun Nederlandse soortgenoten. Tot mijn verrassing duiken er ook theeplantages op. Het milde, vochtige klimaat en de rijke vulkanische bodem maken het eiland perfect voor thee. Op de Gorreana-theeplantage bij São Brás lopen we tussen de groene rijen struiken, ruiken de dampende theeblaadjes en proeven verschillende soorten, terwijl we alles leren over het eeuwenoude productieproces.

Niet ver daarvandaan, langs de noordkust, parkeren we de wagen en lopen steil naar beneden via een doodlopend asfaltweggetje. Het is het begin van de Moinho do Félix-trail, slechts ongeveer 5 km lang, maar wel voorzien van maar liefst vier watervallen. Zo gauw we het open stuk langs de kust voorbij zijn, duiken we de beschutting in van de bossen. De wind valt direct weg, we lopen langs een muur van groen over boomwortelpaadjes. Veel wandelaars zijn er niet. De watervallen zijn verstilde plekjes, waar je ‘s zomers een verfrissende douche kunt nemen. Maar dat is nu geen goed plan. Vanwege hevige regenval in de afgelopen dagen heeft het water een bruinige kleur gekregen en ruikt het niet meer fris… De natuurlijke douche bewaren we voor een andere keer.

Net als op Terceira en de andere eilanden is er ook op São Miguel volop vulkanische activiteit, en de volgende stop is een echte must-see voor elke bezoeker. Waar we op Terceira vooral stoom en gassen uit de aarde zagen opstijgen, pruttelen bij Fumarolas Lagoa das Furnas – letterlijk “Stoom- of gasopeningen bij het Furnas-meer” – dampende soepjes van bruine modder. Even verderop ligt het diner van enkele lokale restaurants in de hete grond te garen. Wat een geniaal idee! Een man met een schop houdt alles in de gaten, een soort chef-kok die nooit aan de knoppen van een fornuis hoeft te draaien, want Moeder Aarde zorgt dag en nacht voor warmte.
De geothermische warmte zorgde ook voor een speciaal gerecht in de Furnas-vallei: Cozido das Furnas. Het is een traditionele Portugese stoofpot die langzaam wordt gegaard in de hete vulkanische grond. Grote metalen potten met vlees, vis, worst, groenten en aardappelen worden in geothermische stoom- en zwavelbronnen begraven, waar het voedsel urenlang zachtjes kookt.

Is het Furnas-kratermeer bekend om zijn thermische en culinaire soepjes, twee andere kratermeren zijn populair vanwege de majestueuze uitzichten. Vanaf de Pico da Barrosa kijken we neer op het Lagoa do Fogo en de Miradouro da Vista do Rei is een mooie plek om een overzicht te krijgen van Lagoa Verde en Lagoa Azul in de Caldeira das Sete Cidades, een ingestorte vulkaankrater. We hebben mazzel: de zon schijnt, het blijft droog en het uitzicht is als het ware gemaakt voor iconische Instagram posts. Als toegift zien we ‘s avonds nog de zon in de oceaan zakken; mooier kan de natuur het niet maken.
Weet ik na deze trip meer over de Azoren? Ja, maar ik weet nog niet genoeg. Ik hoor dat elk eiland zijn eigen karakter heeft, en zijn eigen dialect. We hebben twee eilanden van de Azoren gezien, en nog zeven te gaan.

Al denk je bij de Azoren misschien niet meteen aan canyoning, er zijn op São Miguel wel degelijk goede mogelijkheden om deze sport te beoefenen. Wij gingen canyoningen bij Ribeira dos Caldeirões: de meest populaire locatie voor deze sport in het noordoosten van het eiland, met weelderige vegetatie, rivieren en watervallen die geschikt zijn voor begeleide canyoning‑tours.

Parque Terra Nostra is een wereldberoemd botanisch park en thermale tuin in de Furnas-vallei op São Miguel. Het park ontstond aan het eind van de 18e eeuw en werd later uitgebreid tot een oppervlakte van circa 12,5 hectare met planten en bomen uit de hele wereld. Terra Nostra is aangelegd in romantische stijl met wandelpaden, vijvers en thematuinen, en herbergt een uitgebreide botanische collectie, waaronder camelia’s, varens en exotische bomen. Een van de hoogtepunten is de geothermische thermale pool, met warm, ijzerrijk water uit de vulkanische bronnen, waar bezoekers kunnen ontspannen te midden van het weelderige park.
Parqueterranostra.com

Bezoek je Angra do Heroísmo op Terceira, ga dan zeker even langs bij O Forno Pastelaria in het centrum van de stad. De winkel maakt traditionele Azorische zoetwaren en banket. Een van de specialiteiten van O Forno zijn de “Donas Amélias”, een typisch cake- of koekjesachtig gebakje dat diepe wortels heeft in de culinaire geschiedenis van Terceira. Deze lekkernijen werden rond 1901 gecreëerd naar aanleiding van een officiële bezoek van koning D. Carlos en koningin D. Amélia van Portugal aan de Azoren. Als eerbetoon aan de koningin kreeg het gebak de naam Dona Amélia en werd het aangeboden als streekgebak.
Facebook O Forno

Materramenta Vineyards & Wine Tasting
In Biscoitos op Terceira kun je bij Materramenta kennismaken met de traditionele Azorische wijncultuur en uiteraard de wijnen zelf. Opvallend: omdat het eigenlijk te fris op de Azoren voor wijnbouw is, staan de wijnstokken niet keurig in een veld op een rijtje achter elkaar, maar in putten, die omgeven worden door muurtjes van vulkanische basaltstenen.
Materramenta.com
Info:
Ernaartoe
Via TAP Air Portugal kun je naar de Azoren vliegen, met een korte overstap in Lissabon. De vluchttijd is circa 6 uur vanuit Nederland/Vlaanderen.
Flytap.com
Beste reistijd
Lente, zomer en herfst zijn goede periodes om de Azoren te bezoeken. In de winter is het wat koeler en natter. Het wordt er vrijwel nooit echt koud of heet, de temperaturen schommelen doorgaans tussen de 12 en 25 graden.
Klimaat
De Azoren hebben een vochtig zeeklimaat. Zon, regen, wind en opnieuw zon: je kunt het allemaal in één dag meemaken. De Atlantische winden beïnvloeden het weer voortdurend.
Azoren algemeen
Kijk op de site van Visit Azores.





















Wat hebben de iconische pistier Patrick Sercu, ex-wereldkampioen Jean-Pierre ‘Jempi’ Monseré en de Tourwinnaar van 1912 Odiel Defraeye met elkaar gemeen? Ze komen uit Roeselare, een stad waar je bij uitstek kennismaakt met de Vlaamse wielercultuur en speciaalbieren.
Roeselare is zijn helden van weleer niet vergeten. Op een muur bij wielermuseum KOERS in hartje stad zijn ze meer dan levensgroot geschilderd. En dat is wellicht gebeurd met een mix van verering en herkenning. Verering vanwege hun prestaties en overwinningen, en herkenning omdat deze wielerhelden geen golden boys waren, maar jongens van bescheiden komaf, die normaal gesproken eenvoudig werk zouden hebben gevonden. Ze hadden in je straat kunnen wonen of in je klas kunnen zitten. Hun situatie had ook de jouwe kunnen zijn, afgezien nog van het feit dat ze veel harder konden fietsen. De Vlaming ziet zichzelf weerspiegeld in de flandrien: een persoon zonder pretenties, die bereid is om zich af te beulen en nooit afgeeft.
De glamour die je bij andere sporten soms ziet, die ontbrak bij het wielrennen. Soms ook visueel. In de jaren 70 draaiden we de tv-antenne naar het zuiden om ‘op de Belg’ naar weer een voorjaarsklassieker te kijken. Wat we zagen waren natte straten met grauwe huizen, druppels op de cameralens en een peloton dat op de Vlaamse bergjes over kasseien zwoegde. Het naargeestige decor genereerde mede de heroïek waarmee de voorjaarsklassiekers zijn verbonden: het gevecht tegen de elementen, tegen de concurrentie en uiteindelijk het gevecht met jezelf. Dat je dit gevecht over meer dan 250 km aanging, was op zich al een soort heldendaad.

Bij museum KOERS in Roeselare halen we retro-koersfietsen en -truien uit een container. We willen niet alleen luisteren naar verhalen over het wielerverleden, maar het ook zelf beleven. Tot op zekere hoogte dan. In de herfstmist beginnen we aan de Omloop der Volkscafés. Een lusroute van 35 km ligt voor ons, met 11 cruciale bevoorradingsstops, die ook zeer in trek zijn bij de lokale bevolking.
Terwijl de mist oplost en we meer van de omgeving zien, begint ook ons flandriensimago te vervagen. De retrofietsen bollen heerlijk over de stenen, maar wat overblijft zijn 50-plussers die in spijkerbroek over de Vlaamse knooppuntroutes peddelen. Er vallen vandaag geen prijzen te winnen, maar ervaringen. En een van die ervaringen, is de kennismaking met de Vlaamse volkscafés, het thema van de route.
Noem deze uitspanningen overigens niet zomaar doorsnee, want ze zijn een cruciaal onderdeel van de Belgische biercultuur, erkend als werelderfgoed. Plekken waar in razend tempo over de koers en het leven wordt gepraat bij een pintje, met die typisch Vlaamse tongval. Plekken waar je ook geen Heineken bestelt – dat wordt nu eenmaal gezien als ‘pis’ – maar een speciaalbiertje uit de regio met de nodige alcoholprocenten. En na het drinken van twee glazen speciaalbier, praat je net zo snel als een West-Vlaming en slik je de helft van je woorden in, om vervolgens de resterende helften aan elkaar te plakken.

De wielerhistorie komt opnieuw tot leven in Rumbeke, een deelgemeente van Roeselare, waar we een bezoek brengen aan de wielerpiste Defraeye‑Sercu. Tourwinnaar Defraeye nam na WO I het initiatief om de piste te realiseren met het prijzengeld van zijn zege in de Ronde van Frankrijk. In de jaren 60 liet Albert Sercu de piste herleven, mede om er zijn zoon Patrick te laten trainen, die uiteindelijk meer dan 1200 baan-overwinningen behaalde. We mogen even op onze retro-bolides in de sporen fietsen van dit fietsicoon. ‘Maar blijf wel op de Côte d’Azur, de blauwe strook’, waarschuwt de beheerder. De reden daarvoor zien we al snel; de bochten zijn zo steil dat je bij onvoldoende snelheid naar beneden schuift…

In de wijk Krottegem in Roeselare staan we stil bij een streetart-tekening van Jean-Pierre ‘Jempi’ Monseré. ‘Wereldkampioen Leicester 1970’ staat erbij. 1970? Toen bestond ik al, maar ik keek als 6-jarige nog niet naar wielrennen op tv, zo mijn ouders die wedstrijd sowieso hadden aangezet. Ik leerde het verhaal van ‘Jempi’ pas kennen in 2025 toen ik het boek De Zwarte Trui las van Flip van Doorn, die daarin acht sterfgevallen beschrijft van professionele wielrenners. In 1971 botste Jempi in de Ronde van Tirreno-Adriatico – rijdend in zijn kampioenstrui – op een tegemoetkomende auto en overleed als gevolg daarvan op 22-jarige leeftijd. Toevallig rijdt diezelfde Flip van Doorn met ons mee, uitgedost in de Belgische kampioenstrui. Of bestaat toeval niet?

Bier is onlosmakelijk verbonden met de wielersport. Een bezoek aan twee brouwerijen in en bij Roeselare mag dan ook niet ontbreken. De productiefaciliteit van de Rodenbach Brouwerij in Roeselare, met vele monumentale gebouwen, is indrukwekkend. Na het brouwen rijpt het Flanders Red Ale, een roodbruin zuur bier, in 294 gigantische eikenhouten vaten (foeders), waar je – op aanvraag – een lichtshow kunt bewonderen tijdens een rondleiding. Er is zelfs de mogelijkheid om je eigen bier te maken – door verschillende varianten te mengen – en deze uiteraard zelf op te drinken. Rodenbach heeft alle faciliteiten om bezoekers te ontvangen in Het Foederhuis, waar je bieren van het vat drinkt in de schaduw van gigantische foeders, vaak gecombineerd met gerechten die daarbij passen.
In Izegem, op een steenworp van Roeselare, lopen we binnen bij de moderne brouwerij van Vanhonsebrouck. De glimmende ketels en een ratelende productielijn van de brouwerij leveren het bekende Kasteelbier op, die je in tal van supermarkten terugvindt. De familie Vanhonsebrouck brouwt al sinds 1811 in West-Vlaanderen, maar het echte icoon van hun brouwerij ontstond pas eind 20e eeuw. In 1986 kochten ze het kasteel van Ingelmunster, dat de inspiratie werd voor een nieuwe bierlijn. Kort daarna, rond 1989–1991, kwam de eerste donkere variant van Kasteelbier op de markt. Het succes bleef niet uit en al snel volgden andere varianten zoals Kasteel Tripel en Kasteel Rouge, die elk hun eigen karakter en liefhebbers vonden.

Wie na het bezoeken van deze brouwerijen nog dorst heeft – het klinkt onwaarschijnlijk – moet toch nog even langs bij het Roeselaarse café ‘t Motje. Deze biedt ruim 350 bieren aan, meer bieren dan je waarschijnlijk ooit zal proeven in je leven. En ook hier staart het wielerverleden ons aan via karikatuur-tekeningen op de muur. We heffen het glas op Freddy Maertens, Patrick Lefevere en vele andere Vlaamse wielericonen. In Roeselare is het altijd koers, ook ‘s avonds. Proost!

‘KOERS. Museum van de Wielersport’ is het wielermuseum in Roeselare dat de volledige geschiedenis van de fiets en de wielersport belicht, met een nadruk op professionele koers en Belgische wielerhelden. Het museum, gevestigd in een gerestaureerd historisch gebouw, toont een uitgebreide collectie van historische en moderne koersfietsen, truien, trofeeën, memorabilia en interactieve displays die de evolutie van de fiets en wielrennen laten zien, met onder meer een speciale zaal gewijd aan Jean-Pierre Monseré.
Info: Koersmuseum.be
De stad Roeselare
Omloop der Volkscafés
Wielerpiste Defraeye-Sercu
Brouwerij Vanhonsebrouck (Kasteelbier)
Brouwerij Rodenbach

Hicle ontdekte in de herst van 2025 de Urban Jungle Fietsroute in Antwerpen, die je laat kennismaken met de highlights in en om het centrum van de populaire havenstad.
De Urban Jungle Fietsroute leidt je dwars door de verborgen groene longen van de stad, waar streetart en stadsparken naadloos overgaan in ruige plekjes. Bewonder de Antwerpse Park(fiets)brug – met een dak als gatenkaas -, het Paleis van Justitie, drink koffie in PAKT, duik onder de Schelde door naar de Linkeroever en trap langs pleinen, kaaien en industriële zones.
Deze route toont hoe de stad voortdurend in beweging is – en hoe groen ze tegelijk kan zijn. Een tocht voor nieuwsgierige stadsontdekkers die graag buiten de gebaande paden fietsen.
Lees ook de Hicle-blog over deze route.
Info: Visit.Antwerpen.be

Tekst: Stefan Maas Beeld: Stefan Maas/zie fotocredits
Antwerpen is meer dan de Grote Markt, de bruine kroegen met speciaalbiertjes of winkelpromenade Meir. En de fiets is de beste optie om de minder bekende highlights van de havenstad te ontdekken.
Diep onder het Antwerpse grondoppervlak arriveren we in Centraal. Al ben ik al tientallen keren hier uit de trein gestapt, het statige maar ook moderne, glimmende station blijft indrukwekkend. Diverse roltrappen voeren ons naar straatniveau, en voor je het weet sta je midden in de stad, die dichter bij de Nederlandse Randstad ligt dan je wellicht denkt. Vanuit Rotterdam was het met de Intercity Direct amper 45 minuten treinen, je hebt nét de tijd om een koffietje te drinken en een broodje weg te werken.
Een fiets huren in het Antwerpse is overigens helemaal simpel. Naast het Centraal Station zit de verhuurwinkel van Cyclant, bij de metrotoegang bij het station vind je de fietsuitleenpost van Levanto. We hebben niets te klagen over Cyclant; tot mijn verbazing krijg ik een Santos trekkingfiets. Een raspaardje, waar je desgewenst – en met wat dikkere banden – heel Vlaanderen kunt verkennen, on- en offroad.

Op het Eilandje, een havengebied waar vroeger pakhuizen stonden, knijpen we in remmen bij Museum Aan de Stroom (MAS), alias de Pakhuisreus. Het ontwerp van het Rotterdamse artchitectenburau Neutelings Riedijk Architects, heeft alles weg van een serie op elkaar gestapelde, gedraaide blokken. Het is een van de gebouwen die Antwerpen een modern gezicht geven. MAS staat symbool voor de nieuwe rol van Antwerpen: niet enkel havenstad, maar ook een plek waar je cultuur kunt opsnuiven en mensen kunt ontmoeten. Het gebouw is overigens niet alleen van onderaf te bewonderen; we lopen de trappen op om op 62 meter hoogte uit te kijken over de omgeving. De Schelde, de binnenstad, de haven; ze liggen aan onze voeten om straks verkend te worden.

Het nieuwe Antwerpen toont zich even later ook in Park Spoor Noord. Twee jaar geleden fietste ik er al doorheen, verwonderd dat er toch zulke grote parken te vinden nabij hartje centrum. Ooit was hier een spoorwegemplacement van de NMBS/Belgische spoorwegen, met een lengte van 1,6 km. In 1999 werd het grootste deel herbestemd voor een park. Het gebied is nu het domein van fietsers, wandelaars en picknickers op mooie dagen. Een andere fietshighlight is de Parkbrug, die het Eilandje verbindt met Park Spoor Noord. Het dak van de brug is als gatenkaas, door allerlei openingen valt het zonlicht naar binnen, wat een steeds wisselend spel van licht en schaduw creëert.

In de wijk Zurenborg dompelen we ons onder in eind 19e-eeuwse en begin 20e-eeuwse grandeur. Het ene na het andere rijk gedecoreerde ‘pronk-herenhuis’ passeert de revue, met name in de straat Cogels‑Osylei is het gehalte aan gevelornamenten uitzonderlijk groot. Het is nu moeilijk voor te stellen dat Zurenborg na WO II in verval was geraakt; in de jaren ‘60-’70 waren er zelfs plannen om delen van de wijk te slopen. Gelukkig hoefden de slopers de sloopkogel niet uit het vet te halen en is de wijk een highlight van Antwerpen, vooral vanwege de concentratie van Art Nouveau en eclectische gevels.

De echte stadsjungle lonkt in de vorm van PAKT, een must-see. In de wijk Groen Kwartier, nabij het oude militair hospitaal, kregen meerdere industriële pakhuizen een nieuw, groener, en meer duurzaam leven. We kijken verwonderd en ook wat verwilderd rond. Het gras klampt zich hier vast aan de muren. Serieus! Op de daken van de panden is zelfs een dakboerderij gevestigd. Ze telen er verse stadsgroenten en stadsfruit, van eigen dak.
Creatieve en duurzame bedrijven voelen zich thuis in deze urban jungle, evenals horeca met een alternatief randje. ‘One drug – one nation’ roept het bord voor de koffiebranderij/koffiebar ons toe. Marilyn Monroe kijkt me zwoel aan vanaf een muur, iets dat ze trouwens bij iedereen doet. En in een sportschool met kale pakhuismuren zwaaien twee jongemannen met kilo’s ijzer. PAKT is voor de bezoeker ook een plek om even bij te komen van de stadshectiek. Voor het eerst tijdens deze fietstocht horen we geen verkeersgedruis op de achtergrond. Je merkt zoiets pas als het er niet meer is.

Verder gaat het, door park Vogelenzang, een van de groene longen van Antwerpen, via het Koning Albertpark naar het moderne Paleis van Justitie. Het komt op me over als een dier dat zijn stekels heeft opgericht tegen een onbekende dreiging, of de stekels op het songfestivalpak van de gediskwalificeerde Europapa Joost Klein. Maar de zes stekels zijn geen verdedigingsmiddel, maar ‘zeilen’, een verwijzing uiteraard naar de scheepvaart en de haven van Antwerpen. Daarnaast zijn de zeilen ook functioneel; ze zorgen voor daglicht in de grote zittingszalen en helpen bij natuurlijke ventilatie en warmteregulatie.

Amsterdam heeft Amsterdam-Noord, Antwerpen heeft de Linkeroever. In beide gevallen moet je in principe een flink stuk water oversteken. In het geval van Antwerpen hoef je daarvoor geen pontje te nemen, er zijn voor fietsers en voetgangers twee tunnels aangelegd. En al horen we dat de enige highlight van de Linkeroever het bekijken van de Rechteroever is, de tocht naar de overkant is een belevenis.
Bij de Sint-Annatunnel dalen we 31 meter af in een grote lift, afgeladen met fietsers, plus een – naar haar eigen zeggen – bekende Chinese influencer, zwaaiend met een smartphone-stick. Daarna komen we terecht in een betegelde buis met een lengte van 572 meter, om even later via houten roltrappen weer 31 meter naar boven te gaan. Dit alles gaat veel sneller dan met een pontje, je hoeft nooit op de veerman te wachten. Vanaf de Linkeroever bekijken we de skyline van Antwerpen-Centrum, dat nu aan de overkant ligt, met de Schelde aan onze voeten. Ook dat beeld is het ondergrondse tripje meer dan waard.

Al ligt het misschien niet direct voor de hand, de volgende dag verlaten we het centrum voor een tochtje door de haven. En die is prima te verkennen via vrijliggende fietspaden. Eerst komt het Havenhuis in beeld, met een opvallende blinkende bovenbouw in de vorm van een diamant. Daarna volgen hele series kranen, fabrieken, dokken: alles is hier bovenmaats en imponerend. De haven slaapt nooit. Het is er nooit compleet donker of stil; de fabrieken zijn continu in bedrijf en altijd klinkt wel ergens het gedreun van zware machines.
We rijden er rond als insecten in dinoland, terwijl speedpedelecers in gele hesjes ons tegemoetkomen en voorbij flitsen. Ongetwijfeld havenpersoneel dat zich terug naar de stad rept. Met de Schelde aan onze linkerzijde rijden we verder door deze industriële woestijn en snuiven een vreemde zuurkoollucht op. Af toe wordt het decor opgeleukt met prachtige streetart op wanden langs het fietspad.

En dan is daar ineens Fort Lillo, een eeuwenoude enclave in het 21e-eeuwse havenlandschap. In 10 seconden komen we in een totaal andere vibe terecht. Het dorp Lillo moest ooit wijken voor de uitdijende Antwerpse haven en verdween onder een laag opgespoten zand, maar het fort trotseerde deze aanval. En er is nog steeds leven in Fort Lillo – niet alleen van dagjesmensen en fietstoeristen die de drie Lillose café-restaurants aandoen, maar ook van de 43 inwoners die hier hun thuis hebben gevonden op een unieke plek.
Vanuit Fort Lillo kun je met de waterbus naar de overkant varen, of terug naar Antwerpen-Centrum, om de stad verder te verkennen en het verloren vocht aan te vullen. Tip: vermijd de spits met de waterbus, want dan verzamelt zich een peloton fietsende havenwerkers in gele jackjes bij de aanlegsteiger. Aangezien die tijdens spitsuren voorrang hebben, is er de kans dat er geen plek meer is in de ‘bus’ voor fietstoeristen.

Fietsroute: De genoemde highlights maken deel uit van de Urban Jungle Fietsroute. De kaart en begeleidend boekje kosten 5 euro. Deze zijn verkrijgbaar in de bezoekerscentra van Visit Antwerpen. De gps-route vind je hier.
Fiets huren: bij het Centraal Station kun je fietsen huren bij Cyclant en Levanto. Ook kun je bij Antwerp By Bike terecht op het Steenplein.
Naar Lillo: Dit is een suggestieroute van de Urban Jungle, volg daarvoor de knooppunten 55 en 59, tot in Lillo.
Algemene stadsinfo: Visitantwerpen.be.

Deze Route van de Maand ademt gezelligheid en Belgische biercultuur. De fietstocht voert je langs elf authentieke bruine kroegen en brasserieën in de omgeving van het West-Vlaamse Roeselare – stuk voor stuk cafés die een tussenstop meer dan waard zijn.
Met zijn bescheiden lengte van 35 kilometer hoef je je geen zorgen te maken of je de finish wel haalt. Onderweg kun je in de karaktervolle volkscafés het verloren vocht weer aanvullen. De route passeert ook langs Het Foederhuis, het café van brouwerij Rodenbach – een must voor liefhebbers van het iconische Roeselaars roodbruin.
Wil je de Omloop rijden als een echte flandrien? Huur dan bij KOERS – Museum van de Wielersport in Roeselare – een retrofiets en een bijpassend truitje, en je waant je zo in het peloton van weleer.
Zie ook: Visitroeselare.be.
Tekst en beeld: Stefan Maas

Een merkwaardig driehoekje in Oost-Finland langs de Russische grens trok mijn aandacht. Hoe zou het zijn om daar te fietsen?
Hoe is ’t daar? Dus wél bereik? Appen via een Russische satelliet? Kijk uit, hè… voor je het weet hebben ze je locatie, en dan zijn de rapen gaar.
Ik sluit WhatsApp en staar voor me uit, vanaf mijn tot stoel omgebouwde slaapmatje. Sinds Poetins leger Oekraïne binnenviel, is Rusland in de beeldvorming weer the evil empire. Oost en West staan tegenover elkaar, net als tijdens de Koude Oorlog. Stalin zou van vreugde uit zijn graf bij de Kremlinmuur opstaan, mocht hij in staat zijn het te horen.
Appen via een Russische satelliet? Russen die me opsporen met een paar kilo ongegaarde rapen en een stel Duitse herders? Als er werkelijk patrouilles zijn in het Fins-Russische grensgebied in Noord-Karelië, dan weten ze zich goed schuil te houden. Ik heb nog geen enkele militair gezien, niet van Finse, noch van Russische afkomst.
Voor me ligt het stille Lahnajärvi-meer, in het uiterste oosten van Finland. Mijn tent staat bij de nu verlaten bbq-plek Karhunkämmenen Luppotupa. Het kost bijna meer moeite om zo’n naam in je geheugen te prenten dan om er vanuit Hattuvaara, het dichtstbijzijnde dorp, naartoe te fietsen.
Wat ik vooraf niet wist: dit puntje op de kaart is zowaar een toeristische trekpleister. Een paar auto’s en twee motoren passeerden me onderweg hiernaartoe. Deze toeristen hebben ongetwijfeld over het water van het Virmajärvi-meer gestaard, waar de scheidslijn tussen beide landen dwars doorheen loopt. Waarschijnlijk zagen ook zij geen spoor van menselijke activiteit aan de overkant, waar Russisch Karelië begint.

Dicht bij de grens mag je overigens niet komen; langs de grenslijn is een ‘verboden zone’ ingesteld, variërend van enkele tientallen meters tot wel drie kilometer breed. Gele ringen op bomen, gele bordjes, koorden en – in het water – gele boeien markeren de grens van die zone.
Langzaam begin ik ook te beseffen dat ik hier over een oud slagveld aan het fietsen ben. Langs weg 522 fotografeerde ik eerder al het Ilomantsi Battle Memorial. In 1939, tijdens de Fins-Russische Winteroorlog, wisten de Finnen hier een Russisch offensief tegen te houden. In 1944, tijdens de Voortzettingsoorlog, vonden opnieuw gevechten plaats – en weer hielden de Finnen stand en behaalden zelfs de overwinning. Oost-Karelië, het gebied dat de Finnen graag wilden inlijven, bleef echter buiten bereik en behoort nog altijd tot Rusland.
De volgende ochtend pak ik mijn spullen en draai het gravelweggetje op dat langs de grens slingert. Finland heeft genoeg van dit soort wegen voor een maandenlange gravelfietsvakantie – zo’n 100.000 kilometer in totaal. Ze zijn autoluw en doorgaans goed onderhouden; een speeltuin voor de gravelgrinder. Behalve als er pas nieuw grind is gestrooid. Dan is het ploegen door los gesteente en hotsebots je niet harder dan twaalf kilometer per uur over het gruis.
Op mijn gps-schermpje verschijnt een waypoint, het hoofddoel van deze grensvakantie. Gelegen op een merkwaardig grensdriehoekje, dat eigenlijk een lijntje mist, of noem het een vreemde driehoekige uitstulping, zo je wilt. Op Google Maps had ik er al tientallen keren naar gestaard. Het gravelpad waarop ik rijd, eindigt vlak bij dat driehoekje. Een paar honderd meter verder begint een nieuw weggetje. Op Google Earth zag ik ook het silhouet van een gebouwtje en een brug over een rivier die tussen beide wegen stroomt.
Er moest dus een voetpad zijn dat over dat bruggetje loopt. En nog belangrijker: eenmaal op dat pad ligt de Russische grens op amper vijftig meter naar het oosten. Even snel van het pad af, even struinen door het struikgewas en ik zou op Russische bodem staan. Dat zou tegenwoordig best stoer klinken. Zou ik…?
Google Earth heeft gelijk. Aan het eind van het gravelpad doemt een gebouw op. Geen woonhuis, zoveel is duidelijk. Aarzelend loop ik ernaartoe en zie dat het een grenspost is. Leeg, niemand te bekennen. Gek, in een tijd waarin Finland zich probeert voor te bereiden op een mogelijke oorlog. Maar waar is het voetpad naar het bruggetje? Terugrijden, daar heb ik weinig zin in. Ik kijk zoekend rond en ontdek een vaag pad aan de zijkant van het gebouw. Aan één zijde van het pad markeren bomen met gele ringen de rand van de verboden zone. Yes. Met de fiets aan de hand loop ik verder het bos in.

Een groenstalen bruggetje komt in beeld, zoals verwacht. Eenmaal erop spied ik naar het oosten. Het moment suprême is daar. Rusland ligt binnen bereik; een paar sprongetjes zouden me over de grens brengen. Toch blijf ik aarzelen. Geen hek, geen grensbewaking, geen wachttorens, geen teken van een mijnenveld, geen killerhonden. Maar er zijn natuurlijk ook drones, wildcamera’s met hittesensoren, satellieten met geavanceerde lenzen en meer apparatuur die je niet meteen kunt zien.

Het moment suprême is voorbij. Ik wandel verder met de fiets. De grens oversteken is me het risico niet waard; als het misgaat, zijn de rapen alsnog gaar. Bovendien heb ik niets in Rusland te zoeken en er niets mee te winnen. Toch voelt het als een kleine nederlaag, alsof ik een bergbeklimmer ben die vlak onder de top besluit af te dalen. Verstandig, begrijpelijk, maar ook een tikje teleurstellend.

Acht dagen later en zeshonderd kilometer verder, aan de rand van het immense Höytiäinen-meer, sluit ik mijn Finse fietsvakantie af. Voor het eerst had ik voor die reis gebruikgemaakt van automatische routering via het RouteYou-platform, met de optie ‘mountainbike trails’. De enige vaste punten die ik invoerde, waren begin- en eindplaats Joensuu, het driehoekje bij de grens en de lokale supermarkten, een schaars goed in Oost-Finland. En zo links en rechts wat bijschaven als de route té onlogisch werd. Het bespaarde me vele uren spitwerk.
Voor 96% verliep die werkwijze uitstekend; ik fietste overwegend over rustige gravelwegen. De overige vier procent bestond uit verdwenen wegen, te ruige paden voor een fiets met bagage of onnodige omwegen. Maar dat valt te overzien bij een route van ruim 800 kilometer.
Bij een bbq-plek, op zo’n 120 kilometer van de grens, stuur ik nog een appje met locatie-aanduiding. Het antwoord: “Ik zie dat je nog steeds in de buurt van Poetin zit.” Geen vraag over hoe mooi Finland is, wat ik heb meegemaakt, nee, het enige dat opvalt, is mijn nabijheid tot Poetins rijk. Vreemd hoe ons wereldbeeld in enkele jaren kan kantelen.

Voor wie eens buiten de gebaande Europese bergpaden wil wandelen, is de Pieken van de Balkan Trail (Peaks of the Balkans) een prachtige kandidaat.
Tijdens deze 190 km lange lusroute ontdek je de ongerepte schoonheid van de Vervloekte Bergen, een gebied waar Albanië, Kosovo en Montenegro elkaar raken. De trail voert je in 10 tot 12 dagen door een wereld van imposante bergtoppen, stille alpenweiden en gastvrije bergdorpen.
Onderweg steek je eeuwenoude herderspaden en grenspassen over, terwijl je overnacht bij lokale families of in guesthouses en berghutten. De Pieken van de Balkan Trail is een project geïnitieerd door de Duitse ontwikkelingsorganisatie GIZ om duurzaam toerisme te stimuleren.
Lees de Hicle-blog van Mathijs Eskes om meer te weten over deze trail!

Tekst en beeld: Mathijs Eskes
We zijn nu vijf dagen onderweg over het langeafstandspad van de Peaks of the Balkans, een wandelroute van 192 kilometer door Albanië, Montenegro en Kosovo. Ik ben op pad met een groep van de wandelvereniging Spring voor een wildkampeertocht. Iedereen draagt een zware rugtas vol tenten, matjes, en massa’s proviand. Het is pas begin juni, maar de hitte is al moordend. We hebben eindelijk onze wildkampeerplaats bereikt. Maar de bron staat droog.
Iemand heeft met rode graffiti op de rotsen gekalkt dat het volgende gastenverblijf even verderop is. Dat zal best, maar wij willen wildkamperen, en wel hier. Zou de bron expres onklaar zijn gemaakt? Veel water is er niet in dit gebied. Op onze beoogde kampeerplaats staat een kudde schapen te grazen, begeleid door een herder en twee bakbeesten van honden. Onze gids spreekt de herder aan. Hij weet wel hoe hij het waterpunt weer aan de praat moet krijgen.
Terwijl we wachten, komt een van de honden naast me zitten. Het beest kijkt wat suffig om zich heen. Z’n tong hangt uit z’n bek. Ik krab ‘m achter de oren. De omgeving is geweldig mooi. We zitten in een hoge vallei, omgeven door steile wanden en grillige karstformaties. Dit gebied heet de Vervloekte Bergen, omdat de duivel ooit uit de hel zou zijn ontsnapt en zich hier toen één dag flink heeft uitgeleefd. Toch is het eigenlijk best een lieflijk gebied. Als we de zwijgzame herder drop geven, toont hij ons een filmpje. We zien hoe zijn twee loebassen een wolf te grazen nemen. Ze scheuren het dier levend aan stukken. Oeps.

Herder en gids beklimmen een helling, schuiven twee stukken tuinslang in elkaar, en voilà, het water loopt weer. Als herder en have verder trekken, moeten wij ook weer aan de bak. Tijdens zo’n wildkampeertocht heb je maar weinig tijd om even uit te puffen. Voor we ’s ochtends vertrekken, breken we tenten af, pakken in, filteren en koken water, maken ontbijt, doen de afwas. En ’s avonds weer opnieuw. De zon gaat om acht uur al onder, dus er rest zo’n twee uur per dag om wat te lezen en te lummelen.
Tijdens de lunch de volgende dag ontdek ik een oude loopgraaf. Er loopt een heel stelsel over de smalle bergrug. Je zou zeggen dat geen mens het ooit in z’n hoofd zou halen om zo’n steile helling te bestormen, ook zonder zo’n versterking. Communistisch Joegoslavië en Albanië vertrouwden elkaar voor geen cent, zoveel is duidelijk.

Als we een dag later Albanië intrekken, zien we hoe de Shqiptarët hun kant van de grens bewaakten. In het maanlandschap staat een betonnen koepeltje, bijna onzichtbaar tussen de rotsen. Precies groot genoeg voor één persoon. Even verderop zien we er nog één, en dan nog één. Het zijn de beroemde koepelbunkers van Albanië.
Tijdens de dictatuur van Enver Hoxha moest elke man binnen drie minuten een bunker kunnen bereiken. De alleenheerser lag overhoop met West en Oost en had daarna ruzie gemaakt met z’n buren. Dus sloot hij Albanië volkomen af van de buitenwereld. Volgens de huidige premier was het land het Noord-Korea van Europa. Om een eventuele invasie af kunnen te slaan, strooiden Hoxha’s generaals honderdduizenden bunkers uit over het land. Ze staan op de gekste plekken.
In de Grieks-Romeinse ruïnestad Butrint in het uiterste zuiden van het land hoorde ik een gids vertellen dat hij vroeger, in een ander leven, commandant van zo’n eenheid was geweest. Ze hadden uitzicht gehad op zee, op Corfu. Het was aardedonker. Af en toe dreef er een schip voorbij en klonk er muziek en gelach. Als een soldaat vroeg: ‘Commandant, wat zijn al die lichtjes?’, dan antwoordde hij: ‘Dat is de kapitalistische vijand! Dat is de hel, maar wij wonen in het communistische paradijs!’ Terwijl de gids-die-vroeger-commandant-was het vertelt, lacht hij er ongemakkelijk bij. ‘Dat geloofden we toen. Wisten wij veel.’
Van al die bunkers zijn de meeste het afgelopen decennium gesneuveld. Het ijzer is goud waard. Maar hier, in de bergen boven Theth, waar je met geen mogelijkheid met een kar of auto kunt komen, houdt een handjevol stand.

In een dal in Montenegro komt een vrouw op ons af en steekt een lange monoloog af. We verstaan er geen woord van, maar dat schrikt haar niet af. Dan daagt het, ze wil dat we allemaal meekomen om bij haar te lunchen. Tegen betaling natuurlijk.
Twee groepsleden zijn nieuwsgierig en gaan met haar mee. Ze blijkt helemaal aan het einde van de vallei te wonen. Onderweg jaagt ze eerst een koe uit een huis. Eenmaal thuis probeert ze een kaas van vijf kilo te slijten. Dit is voor ons veel te zwaar, voor vertrek hebben we grammen geteld om onze bepakking zo licht mogelijk te houden. Pittige onderhandelingen beginnen. De twee groepsgenoten proberen met handen en voeten duidelijk te maken dat ze best wat kaas willen, maar zeker niet zoveel. De dame accepteert geen nee. Ze heeft bovendien ook nog andere producten die ze wil slijten.
Ondertussen is haar dochter van een jaar of twaalf doodkalm midden tussen de achtergebleven groep gaan zitten. Ze zegt niet zoveel, maar kijkt met een grote glimlach om zich heen. Ze vraagt wat dat nou kost, zo’n rugtas. En hoeveel is zo’n wandelstok? Ze toont haar eigen staf. Zelfgemaakt, van hout. Ik wijs naar een koe: ‘Krava’, zegt ze. En dan naar haar moeder in de verte: ‘Majka’. Zo voeren we een basaal gesprekje, totdat onze twee avonturiers terugkomen met een pond kaas, en de majka met kći (dochter) en ovca (schaap) vertrekt.
Als bezoeker-voor-drie-weken kreeg ik de indruk dat Albanië een stormachtige ontwikkeling doormaakt. In het laagland geldt een ‘pakken-wat-je-pakken-kan’. Aan de zuidkust worden hele hoteldorpen uit de grond gestampt, de belangrijkste wegen zijn gloednieuw en de stranden zijn de afgelopen jaren verkaveld zodat toeristen er tegen betaling kunnen zonnebaden. ‘Allemaal witwasserij en corruptie’, aldus onze campingbaas in het zuidelijke Ksamil. De schoonzoon van Trump heeft onlangs zelfs een compleet eiland gekocht om er een luxeresort van te maken. Het land lijkt de weg te plaveien voor het massatoerisme.
In de bergen gaat het er rustiger aan toe. Het alomtegenwoordige zwerfafval is hier grotendeels afwezig. Om het wantrouwen tussen de buurlanden af te bouwen, heeft een Duitse ontwikkelingsorganisatie met lokale partners in 2011 het initiatief genomen tot het langeafstandspad door de Vervloekte Bergen. En het werkt, er komen jaarlijks zo’n 40.000 wandelaars op af en het verbindt een voorheen arme en geïsoleerde regio. Sommige herders klussen nu bij als huttenwaard.
Het pad langs de Pieken van de Balkan is niet al te technisch en goed te belopen. Anders dan de naam doet vermoeden, loopt de route om en niet over de echte toppen. Onze dagtochten lagen tussen de 16 en de 21 kilometer, met zo’n 1500 tot maximaal 2000 hoogtemeters. De grootste uitdaging is de temperatuur, die ook in het voorjaar al heel behoorlijk is.
Er zijn genoeg gastenverblijven aanwezig om de Pieken van de Balkan Trail ook zonder tent af te kunnen leggen. Hier kunnen overvloedige maaltijden worden genuttigd. Anders dan in de Alpen krijg je bovendien ruim voldoende lunch mee. Voor wie iets meer vrijheid en flexibiliteit wil, zijn er waterpunten waar je kunt wildkamperen.
Ik vond de Vervloekte Bergen erg mooi. De vele en uitbundige bloemenweides zijn, zeker in het voorjaar, indrukwekkend. De landschappen zijn afwisselend, je komt door bos, berg en dal. Het contact met de herders voelt als een glimp uit een pastoraal verleden. Voor wie wat avontuurlijker wil reizen is het goed mogelijk om per nachttrein en nachtboot naar Albanië te gaan: overdag kun je dan steden als Bologna, Bari en Matera bezichtigen. Aansluitend een rondreis door Albanië en/of Montenegro is ook zeer de moeite waard.
Voor meer info:
Peaksofthebalkans.com
Springreizen.nl