
Wat hebben de iconische pistier Patrick Sercu, ex-wereldkampioen Jean-Pierre ‘Jempi’ Monseré en de Tourwinnaar van 1912 Odiel Defraeye met elkaar gemeen? Ze komen uit Roeselare, een stad waar je bij uitstek kennismaakt met de Vlaamse wielercultuur en speciaalbieren.
Roeselare is zijn helden van weleer niet vergeten. Op een muur bij wielermuseum KOERS in hartje stad zijn ze meer dan levensgroot geschilderd. En dat is wellicht gebeurd met een mix van verering en herkenning. Verering vanwege hun prestaties en overwinningen, en herkenning omdat deze wielerhelden geen golden boys waren, maar jongens van bescheiden komaf, die normaal gesproken eenvoudig werk zouden hebben gevonden. Ze hadden in je straat kunnen wonen of in je klas kunnen zitten. Hun situatie had ook de jouwe kunnen zijn, afgezien nog van het feit dat ze veel harder konden fietsen. De Vlaming ziet zichzelf weerspiegeld in de flandrien: een persoon zonder pretenties, die bereid is om zich af te beulen en nooit afgeeft.
De glamour die je bij andere sporten soms ziet, die ontbrak bij het wielrennen. Soms ook visueel. In de jaren 70 draaiden we de tv-antenne naar het zuiden om ‘op de Belg’ naar weer een voorjaarsklassieker te kijken. Wat we zagen waren natte straten met grauwe huizen, druppels op de cameralens en een peloton dat op de Vlaamse bergjes over kasseien zwoegde. Het naargeestige decor genereerde mede de heroïek waarmee de voorjaarsklassiekers zijn verbonden: het gevecht tegen de elementen, tegen de concurrentie en uiteindelijk het gevecht met jezelf. Dat je dit gevecht over meer dan 250 km aanging, was op zich al een soort heldendaad.

Bij museum KOERS in Roeselare halen we retro-koersfietsen en -truien uit een container. We willen niet alleen luisteren naar verhalen over het wielerverleden, maar het ook zelf beleven. Tot op zekere hoogte dan. In de herfstmist beginnen we aan de Omloop der Volkscafés. Een lusroute van 35 km ligt voor ons, met 11 cruciale bevoorradingsstops, die ook zeer in trek zijn bij de lokale bevolking.
Terwijl de mist oplost en we meer van de omgeving zien, begint ook ons flandriensimago te vervagen. De retrofietsen bollen heerlijk over de stenen, maar wat overblijft zijn 50-plussers die in spijkerbroek over de Vlaamse knooppuntroutes peddelen. Er vallen vandaag geen prijzen te winnen, maar ervaringen. En een van die ervaringen, is de kennismaking met de Vlaamse volkscafés, het thema van de route.
Noem deze uitspanningen overigens niet zomaar doorsnee, want ze zijn een cruciaal onderdeel van de Belgische biercultuur, erkend als werelderfgoed. Plekken waar in razend tempo over de koers en het leven wordt gepraat bij een pintje, met die typisch Vlaamse tongval. Plekken waar je ook geen Heineken bestelt – dat wordt nu eenmaal gezien als ‘pis’ – maar een speciaalbiertje uit de regio met de nodige alcoholprocenten. En na het drinken van twee glazen speciaalbier, praat je net zo snel als een West-Vlaming en slik je de helft van je woorden in, om vervolgens de resterende helften aan elkaar te plakken.

De wielerhistorie komt opnieuw tot leven in Rumbeke, een deelgemeente van Roeselare, waar we een bezoek brengen aan de wielerpiste Defraeye‑Sercu. Tourwinnaar Defraeye nam na WO I het initiatief om de piste te realiseren met het prijzengeld van zijn zege in de Ronde van Frankrijk. In de jaren 60 liet Albert Sercu de piste herleven, mede om er zijn zoon Patrick te laten trainen, die uiteindelijk meer dan 1200 baan-overwinningen behaalde. We mogen even op onze retro-bolides in de sporen fietsen van dit fietsicoon. ‘Maar blijf wel op de Côte d’Azur, de blauwe strook’, waarschuwt de beheerder. De reden daarvoor zien we al snel; de bochten zijn zo steil dat je bij onvoldoende snelheid naar beneden schuift…

In de wijk Krottegem in Roeselare staan we stil bij een streetart-tekening van Jean-Pierre ‘Jempi’ Monseré. ‘Wereldkampioen Leicester 1970’ staat erbij. 1970? Toen bestond ik al, maar ik keek als 6-jarige nog niet naar wielrennen op tv, zo mijn ouders die wedstrijd sowieso hadden aangezet. Ik leerde het verhaal van ‘Jempi’ pas kennen in 2025 toen ik het boek De Zwarte Trui las van Flip van Doorn, die daarin acht sterfgevallen beschrijft van professionele wielrenners. In 1971 botste Jempi in de Ronde van Tirreno-Adriatico – rijdend in zijn kampioenstrui – op een tegemoetkomende auto en overleed als gevolg daarvan op 22-jarige leeftijd. Toevallig rijdt diezelfde Flip van Doorn met ons mee, uitgedost in de Belgische kampioenstrui. Of bestaat toeval niet?

Bier is onlosmakelijk verbonden met de wielersport. Een bezoek aan twee brouwerijen in en bij Roeselare mag dan ook niet ontbreken. De productiefaciliteit van de Rodenbach Brouwerij in Roeselare, met vele monumentale gebouwen, is indrukwekkend. Na het brouwen rijpt het Flanders Red Ale, een roodbruin zuur bier, in 294 gigantische eikenhouten vaten (foeders), waar je – op aanvraag – een lichtshow kunt bewonderen tijdens een rondleiding. Er is zelfs de mogelijkheid om je eigen bier te maken – door verschillende varianten te mengen – en deze uiteraard zelf op te drinken. Rodenbach heeft alle faciliteiten om bezoekers te ontvangen in Het Foederhuis, waar je bieren van het vat drinkt in de schaduw van gigantische foeders, vaak gecombineerd met gerechten die daarbij passen.
In Izegem, op een steenworp van Roeselare, lopen we binnen bij de moderne brouwerij van Vanhonsebrouck. De glimmende ketels en een ratelende productielijn van de brouwerij leveren het bekende Kasteelbier op, die je in tal van supermarkten terugvindt. De familie Vanhonsebrouck brouwt al sinds 1811 in West-Vlaanderen, maar het echte icoon van hun brouwerij ontstond pas eind 20e eeuw. In 1986 kochten ze het kasteel van Ingelmunster, dat de inspiratie werd voor een nieuwe bierlijn. Kort daarna, rond 1989–1991, kwam de eerste donkere variant van Kasteelbier op de markt. Het succes bleef niet uit en al snel volgden andere varianten zoals Kasteel Tripel en Kasteel Rouge, die elk hun eigen karakter en liefhebbers vonden.

Wie na het bezoeken van deze brouwerijen nog dorst heeft – het klinkt onwaarschijnlijk – moet toch nog even langs bij het Roeselaarse café ‘t Motje. Deze biedt ruim 350 bieren aan, meer bieren dan je waarschijnlijk ooit zal proeven in je leven. En ook hier staart het wielerverleden ons aan via karikatuur-tekeningen op de muur. We heffen het glas op Freddy Maertens, Patrick Lefevere en vele andere Vlaamse wielericonen. In Roeselare is het altijd koers, ook ‘s avonds. Proost!

‘KOERS. Museum van de Wielersport’ is het wielermuseum in Roeselare dat de volledige geschiedenis van de fiets en de wielersport belicht, met een nadruk op professionele koers en Belgische wielerhelden. Het museum, gevestigd in een gerestaureerd historisch gebouw, toont een uitgebreide collectie van historische en moderne koersfietsen, truien, trofeeën, memorabilia en interactieve displays die de evolutie van de fiets en wielrennen laten zien, met onder meer een speciale zaal gewijd aan Jean-Pierre Monseré.
Info: Koersmuseum.be
De stad Roeselare
Omloop der Volkscafés
Wielerpiste Defraeye-Sercu
Brouwerij Vanhonsebrouck (Kasteelbier)
Brouwerij Rodenbach