Fietsen op IJsland

IJsland: gravelrijden in een bizarre wereld

tekst en beeld Stefan Maas

Bikepacken is tegenwoordig een trend. Meerdaagse avonturen beleven op onverharde paden, waarbij de bagage vaak aan het frame, stuur en zadel van de fiets is vastgebonden. En waar kan je beter bikepacken dan in het binnenland van IJsland, waar geen asfaltwegen zijn te bekennen?

In de tijd dat ik naar IJsland trok, in de jaren negentig, was het woord bikepacken nog niet uitgevonden. Maar dat weerhield fietsers niet om de ongebaande paden op te zoeken. Fietsers trokken naar de Sahara, naar de Andes, Mongolië en Verweggistans om daar het avontuur te beleven.

Maar ik moet zeggen, vrijwel standaard waren de reisfietsen toen uitgerust met bagagedragers en de bekende fietstassen. Het vastbinden van tassen met riemen aan het frame, dat had ik nog nooit gezien. Wel reden sommige fietsers op een geveerde mountainbike, toen uitsluitend met 26 inch-wielen. Maar ook die mountainbikes waren dan weer voorzien van een bagagedrager met fietstassen; je kon immers moeilijk al je kampeerspullen op je rug meezeulen.

De leegte van het IJslandse binnenland

Doorsteekjes of diagonaal?

Op IJsland zijn er voor de fietsers eigenlijk twee mogelijkheden. Of je gaat het eiland rond via de geasfalteerde ringweg, óf je trekt het ruige binnenland in, waar vrijwel alleen onverharde wegen zijn aangelegd. En die onverharde wegen zijn vaak maar een paar maanden in het jaar berijdbaar. Moedertje Natuur is machtig op IJsland. Vorst, sneeuw, modderstromen, ja, zelfs vulkaanuitbarstingen, ze kunnen allemaal roet in de reisplannen gooien.

De website www.road.is was in de voorbereiding dan ook mijn bijbel. Terwijl de aarde op het noordelijk halfrond opwarmde tijdens het voorjaar, veranderde de status van de binnenlandse routes een voor een van ‘impassable/closed’ naar ‘easily passable’. De doorsteekjes van de noord- naar de zuidkust van het eiland lagen het meest voor de hand via de 550/578, de 35 of de F26.

Maar bij de F26 trok nog een andere variant mijn aandacht. Deze loopt precies tussen de kleine gletsjer Hofsjökull en zijn immens grote broer Vatnajökull door. In het hart van IJsland had deze weg een aansluiting op de F910, die ten noorden van Vatnajökull doorliep richting het noordoosten. Door deze route te volgen kwam je uiteindelijk bij Egilsstadir uit en had je zo IJsland diagonaal doorkruist.

De ruigte van IJsland

In Europa tikten de thermometers tegen de 30 graden Celsius aan, op IJsland arriveerde ik bij een temperatuur van 12 graden. Ik startte in een miezerige regen. Alles wat ik zag waren bruin-zwarte, gestolde lavavelden. Had ik de verkeerde bestemming uitgekozen? Ook de befaamde geothermische poel Blue Lagoon bij Grindavík had voor mij weinig aantrekkelijks. Het water was 39 graden warm, maar het stonk er naar rotte eieren vanwege de zwavel in het water.

Afgezien daarvan begon het landschap me wel steeds meer te fascineren. IJsland is ruw en leeg. Het kent vrijwel geen bomen en slechts een kwart van het eiland is begroeid. Ik stapte in een piepjonge wereld, gevormd door lava en bestookt door de elementen. En het weer op IJsland? Dat is zeer veranderlijk en wisselvallig. Een bekend IJslands gezegde  is: ‘Als het weer je niet bevalt, wacht dan een uur’.

De dorpjes op IJsland zijn klein en liggen voornamelijk verspreid langs de kust. In 2020 telde de bevolking amper 366.000 zielen, ongeveer evenveel als de stad Utrecht. Niet dat ik veel IJslanders tegenkwam onderweg. Vanuit Nederland had ik een zak met 10 kilo aan voedsel meegenomen. Dat maakte me vrijwel zelfvoorzienend, stops in dorpjes waren niet nodig. Een bezoek aan 1 supermarkt om de zaak wat aan te vullen, moest voldoende zijn om IJsland diagonaal te doorkruisen.

Campings zijn er niet in hartje IJsland, dus wildkamperen is eigenlijk de enige optie

Op naar de F910

De IJslandse natuur slokte me steeds verder op naarmate ik verder het binnenland inreed. Asfalt veranderde in gravel, het aantal auto’s nam sterk af en af en toe kwam me een fietser tegemoet. Een nieuwe ervaring waren ook de snelstromende riviertjes die ijskoud gletsjerwater bevatten, en die helaas niet waren overbrugd. De fiets moest ik stevig vasthouden om te voorkomen dat die zou worden meegesleurd. Met kletsnatte voeten fietste ik aan de overkant weer verder.

Na de afslag bij Tómasarhagi naar de F910 nam het autoverkeer nog verder af en zag ik geen enkele fietser meer. De weg lag vol met keien, waardoor ik hotsend en botsend niet harder reed dan 10 km/u. Langs de wegranden stonden om de zoveel meter stokken. Dat was handig, want het verschil tussen weg en ‘geen-weg’ was niet altijd duidelijk. Opeens besefte ik dat ik heel gedisciplineerd moest gaan rijden om te voorkomen dat de bodem van de voedselzak in zicht kwam. De eerstvolgende supermarkt was, als ik het goed had, pas bij eindpunt Egilsstadir.

Macaroni en chocorepen

De avonden waren lang tijdens die trip; het werd maar niet echt donker. Enigszins rillend zat ik dan onder de luifel van mijn tentje. Steeds meer bereikte ik de basics van het simpele fietsersbestaan: fietsen, eten, slapen en weer fietsen. Alcohol had ik niet bij me, wel macaroni, zakjes gedroogde tomatensaus, wat biscuits en brood, heel veel chocorepen en koffie.

Ik begon ook het weer te nemen zoals het zich voordeed. De ene keer heb je meewind, de andere keer is ie tegen. Het is zoals in het gewone leven. Het geeft eigenlijk geen zin daar verder veel aandacht aan te schenken. Neem het weer zoals het is en je fietst een stuk makkelijker.

Vastgelopen in een woestijn van zwart zand

De zwarte woestijn

Niet ver van de Askja-vulkaan met het grote kratermeer Öskjuvatn keek ik verbaasd rond. Een uitgestrekte zwarte zandwoestijn omringde me. Mijn banden zakten steeds verder weg in het zand, het fietsen werd zo goed als onmogelijk. Dit had ik niet verwacht. Gelukkig stopte een 4-wheeldrive en gaf me een lift naar het einde van de zandwoestijn. Met fiets en al kon ik makkelijk in de grote achterbak van de SUV.

Nee, ze hoefden me niet naar de eerstvolgende stad te vervoeren, vertelde ik de chauffeur en de bijrijder. Inmiddels was ik eraan gewend geraakt om in mijn eentje te fietsen en om in mijn eentje ergens wild te kamperen. Het idee om op een camping te gaan staan, vol met andere mensen, leek me een heftige ervaring.

Bewoonde wereld

Maar ook aan de leegte van het Ijslandse binnenland komt een einde. De eerste boerderij kwam in zicht, de wegen werden beter. Een dag of twaalf na aankomst op het eiland, fietste ik Egilsstadir binnen. De grote highlight van die plaats was, voor zover ik kon zien, het grote benzinestation dat ook dienst deed als een soort ontmoetingsplek.

Op de camping van de stad liet ik het warme water van de douche over me heen glijden. Eindelijk weer eens een warme douche, in plaats van het koude gletsjerwater dat je even snel in je gezicht plempte. Totdat er op de deur van de douche werd gebonsd. Of ik even wilde opschieten, of iets vergelijkbaars in het IJslands. Zuchtend draaide ik de kraan dicht. Ik was definitief weer terug in de bewoonde wereld.

Info:

Weginformatie: www.road.is
Toeristische info: www.visiticeland.com